Op een zondagochtend, een jaar of
10 geleden, ging de telefoon bij mij thuis. Je belde
uit Australië op met een telefoonkaart die het vooral in
het weekend deed. Bij jou was het al einde van de middag.
In de maanden ervoor hadden we
per e-mail gecorrespondeerd over mijn jeugd, wat er was
gebeurd, hoe ik toen was en waar ik tegen aan liep in mijn werk en
mijn leven.
Toen ik net ging studeren, begon
jij net als hoogleraar in Delft. Er zaten leuke parallellen tussen
mijn ontdekking van de nieuwe academische studie informatica en
jullie nieuwe opleiding Industrieel Ontwerp. (Later hielp ik je met
het opzetten van een dagboek op het web, toen het woord weblog of
blog nog moest worden uitgevonden.) We zagen mooie
overeenkomsten op het gebied van ontwerpmethodologie en hoe mensen
met techniek omgaan. Boeiende, inspirerende, enthousiaste,
verrassende, interessante gesprekken. Maar wel veilig, zodat we niet
over pijnlijke ervaringen uit het verleden hoefden te praten. De
afstand die tussen vader en zoon nodig is, was voor ons iets te
vroeg en abrupt gekomen.
In het telefoongesprek kwam je
terug op wat we in de e-mail hadden geschreven aan elkaar. Ik
vertelde over wat ik had ontdekt over vroeger, en durfde vragen te
stellen. Jij vertelde over hoe ik op de lagere school was, en durfde
te praten over de moeilijkheden die jullie als ouders hadden ervaren
in het opvoeden van je kinderen.
Dat bracht licht in de mist die
er over veel van de voorgaande jaren hing. Het waren stukjes in een
puzzel die op hun plek vielen.
En toen, terwijl we ons op
tegenovergestelde plekken van de wereld bevonden, gescheiden door
bijna 20.000 kilometer en 11 tijdzones, voelde ik dat we dichter bij
elkaar waren dan ooit tevoren.
Peter